fbpx
Select all categories
{{ channel.title }}

Menu

Fiets Roman

Tekst Herman Brusselmans Gepubliceerd 13 April 2012

Wisten jullie dat ik vroeger eigenlijk wielrenner wilde worden? Dat begon al goed op m’n zevende, toen ik van Sinterklaas een fiets kreeg. Ik had liever een pony gekregen maar m’n vader zei: ‘Een pony is veel te duur voor Sinterklaas om weg te geven. Die man leeft van een uitkering en heeft ten hoogste geld om een tweedehands fiets aan kinderen te schenken.’ Want ja, de fiets die ik van de klootzak met de lange baard en de mijter en de staf en al die shit had gekregen was duidelijk geen nieuwe fiets. Sterker nog, toen ik er de eerste keer een ritje mee maakte reed ik in de sloot omdat het voorwiel scheef stond ten opzichte van het achterwiel. Toen had ik echter, op m’n negende, geluk. Met een tombola, georganiseerd door De Vlaamse Bond Voor Demente Weduwen, waarvan m’n grootmoeder lid was, won ik de eerste prijs, een splinternieuwe fiets van het merk Castagnetta, naar het schijnt een beroemd Italiaans merk, waarvan, bij navraag in m’n ruime kennissenkring, nog nooit iemand gehoord had. Maar goed, een gegeven paard kijkt men niet in de bek, en ik gaf m’n ouwe fiets cadeau aan m’n grootmoeder, die er tijdens haar eerste rit mee in de sloot reed. In plaats van uit de sloot te kruipen bleef ze er vier dagen inliggen (ze was niet voor niets dement) en geheel onderkoeld werd ze tenslotte gered door boer Krelis, die haar uit de sloot trok met z’n tractor (m’n grootmoeder woog niet voor niets 140 kilo). Goed, op m’n Castagnetta begon ik nu eindelijk te geloven in een mogelijke wielercarrière, zeker toen bleek dat ik de wedstrijdjes, die door de jongens in onze buurt werden gehouden, altijd met vlag en wimpel won. Nu moet ik zeggen dat de tegenstanders niet meteen van de bovenste plank waren. Ze waren met z’n drieën: Erik Van Couwenberghe, die een klompvoet had; André Windey, die blind was aan één oog, en Marcel Vermorgen, die een IQ had van 64 en aldus over te weinig koersinzicht beschikte om mij bij voorbeeld in de sprint te kloppen, mede omdat hij niet eens wist wat een sprint precies was, en daarom op z’n dooie akkertje, tegen ongeveer 12 kilometer per uur naar de eindmeet peddelde. Hoe dan ook voelde ik dat ik het ware wielertalent had, en op m’n achttiende had ik genoeg geld gespaard met m’n bijbaantje als kippenslachter om een koersfiets van het allerberoemdste merk, Fietsen Eddy Merckx, te kunnen kopen. Je zal zeggen: was jij dan zo’n dierenbeul dat jij al

die kippen zomaar kon slachten? Nee, een dierenbeul was ik niet en ik slachtte de diertjes op een humane manier, dus ik sneed niet hun nek af met een mes, maar ik deed hen zodanig schrikken (gewoon door heel maar dan wel héél hard BOE! te roepen) dat ze overleden aan een ogenblikkelijke hartverlamming. Trouwens, je kan niet alleen kippen en andere dieren laten schrikken door zo hard BOE! te roepen. Ook je grootmoeder kun je op die manier de stuipen op het lijf jagen. Ik riep ‘ns zo hard BOE! tegen m’n eigen grootmoeder dat ze weliswaar niet stierf aan een hartverlamming maar wel naar buiten spurtte en op het dak klom, waar ze vier dagen niet meer af wilde (ze was niet voor niets dement). Op m’n Eddy Merckx-fiets begon ik mee te doen aan wedstrijden van de zogenaamde amateurs, en in m’n eerste van die wedstrijden werd ik achtentwintigste, een ondermaatse prestatie, maar ja, ik had onderweg moeten stoppen omdat ik hoogdringende nood voelde, en dus had ik zeker tien minuten lang achter een struik zitten kakken, waardoor ik de voeling met de kopgroep had verloren. Toen kwam de tweede wedstrijd, meteen de belangrijkste wedstrijd uit m’n carrière. Het was de Oost- Vlaamse amateurklassieker Moerzeke-Elversele-Moerzeke, en om tien uur des ochtends vertrokken we in Moerzeke. Tot in Elversele kon ik goed meekomen met het peloton, en ik dacht: ik kan net zo goed proberen om te ontsnappen. Dertien andere renners kwamen op hetzelfde idee en dus vlamden we met z’n veertienen in de richting van Moerzeke. Vervolgens was er het fatale ogenblik in Hamme, op ongeveer tien kilometer van de meet. Ik zag namelijk in dit dorp ineens zo’n prachtig meisje langs de kant van de weg staan, dat ik in een flits moest beslissen: kies ik voor een wielercarrière of kies ik voor de wijven? In dezelfde flits besliste ik meteen: godverdomme, ik zal er misschien ooit spijt van krijgen, maar ik kies voor de wijven. Dus stapte ik af, begon met het meisje een gesprek, nodigde haar uit om die avond iets te gaan eten, en daarna gingen we nog naar bed ook, en eerlijkgezegd vond ik dat allemaal veel leuker dan op zo’n stomme Eddy Merckx-fiets door weer en wind te rijden, en ik heb van m’n beslissing nooit spijt gehad. Op die manier ging m’n toekomst als wielrenner naar de haaien, maar ik ben in plaats daarvan toch maar mooi naar bed geweest met ontelbare wijven. Toch hoop ik ooit over m’n avonturen op de fiets een indringende, autobiografische roman te schrijven onder de titel Waarom ik nooit de gele trui heb gedragen. Want je mag niet vergeten dat ik naast ex-fietser en eeuwige wijvenzot toch in de eerste plaats een schrijver ben.

Gerelateerd bericht

Roadside refill #1

38°N 123°W “I’m going for a ride. Do you want to come along?” “I can’t. I have a casting call.” “What’s the part?” “An assassin.” “Go kill them ...