Kanalen

Selecteer alle kanalen
{{ channel.title }}

Menu

nl

De goede strijd

Soigneur Tekst Soigneur Gepubliceerd 21 september 2013

Ik moet een jaar of vijf geweest zijn toen mijn vader thuiskwam met een doos waaruit een zacht gepiep opklonk. In die doos zaten een stuk of tien donzige kuikentjes. De kinderen Winnen keken vertederd naar de bewegende balletjes die op hun beurt vertederd naar ons leken te kijken. Mijn vader zette de diertjes in een hok dat hij kort daarvoor in elkaar had getimmerd. Op de vloer lag bruine turfmolm.

De kuikentjes werden onze vriendjes. Op gezette tijden haalden wij hen uit het hok om er op het gazon mee te spelen. De beestjes groeiden gestaag; het werden kippen. Tot onze ontzetting bleek dat de speelkameraadjes vanaf het begin voorbestemd waren geweest te eindigen in een braadpan. Een voor een gingen ze eraan. Mijn vader hakte hun kop eraf, en mijn moeder maakte ze schoon. De ingewanden gooide ze in een emmer waaruit een indringende stank opsteeg. De organen als hartjes, niertjes, levertjes en maagjes bewaarde ze voor in de soep welke ik door alle aanschouwde gruwelijkheden vertikte te eten.

In de eerste klas van de basisschool kwam mijnheer pastoor de kleine parochiaantjes inwijden in de katholieke beginselen. Hij sprak over ziel en zonde. Elke keer dat wij een zonde begingen kwam er een zwart stipje op de ziel. De ziel van zware zondaar werd van lieverlede pikzwart, en die zou later linea recta naar de hel verhuizen in plaats van naar het paradijselijke hiernamaals. De lering schokte me. Ik stelde me mijn ziel voor als een blauwige kippenmaag zoals ik die gezien had tijdens de slachtpartijen thuis. En ja, vreselijk genoeg zaten er al een paar zwarte vlekjes op.

Wat hebben deze herinneringen met wielrennen te maken? Op het eerste gezicht niets. Toch borrelden de trauma’s uit mijn kindertijd spontaan op toen ik een tijdje geleden een hilarische tekst las van de hand van sporthistoricus Jurryt van de Vooren: “Is de zaak van Jezus Christus met een Tourzege gediend?”

Jan Janssen won de Tour toen ik negen was. Och, wat heb ik, dronken van geluk, met Jan mee zitten schreien toen ik die zondagmiddag voor de televisie zat en hij de Belg Herman Van Springel in de afsluitende tijdrit het geel ontfutselde. En ik herinner me dat ik, nog steeds tot tranen geroerd, hem een brief schreef met een verzoek om een handtekening. Maar de politieke en godsdienstige rel die Jan Janssen veroorzaakte met zijn zege is me helemaal ontgaan.

Het begon met het gelukstelegram – het was de eerste keer dat een politicus een telegram aan een sporter verstuurde – dat partijsecretaris C.H. Schuring van de CHU bij de verse Tourwinnaar had laten bezorgen: “Wens u namens de C.H.U. geluk met uw overwinning in de Tour de France. Uw inzet en afzien zijn indrukwekkend geweest. Moge uw overwinning in deze ‘schone’ Tour alle Nederlandse wielrenners inspireren”.

Hierop kwamen in het hele land heftige protesten los, vooral uit de conservatieve hoek van de CHU. Het “schandalige” telegram was in strijd met artikel 12 van het beginselprogramma. Janssen, de zondaar, had de zondagsrust geschonden.

De partij raakte in een diepe crisis. De predikant van Pernis stapte bijvoorbeeld op. Zijn afdelingsbestuur gaf het volgende door aan de partijleiding: “CHU-leden, die uit overtuiging het christelijk beginsel aanhangen, kunnen en mogen niet accepteren dat hun partij de afgoden van deze tijd vereert op een wijze, die de letter C volkomen negeert en vooral jongeren doet afdwalen van het rechte spoor!” Partijlid Dunnink die niet begreep dat zijn partij een sporter feliciteerde die op zondag iets anders deed dan de kerk bezoeken, vraagt zich af of Jan Janssen “de dag niet veel beter had kunnen besteden door de goede strijd, de strijd des geloofs te strijden”.

Vele jaren later, op een zondag tijdens de Tour van 2007, belde sporthistoricus Van de Vooren naar de afgod van weleer. Hoe had hij indertijd de felle kritiek op zijn tourzege ervaren? Janssen: “Die christelijke partijen vonden het inderdaad ongepast om op zondag te sporten. Ik ben zelf katholiek, trouwens.” Goddank was Jan dat in 1968 ook al, en dus zonder zonde. Eens te meer bleek dat voor een wielrenner de dartele Moederkerk van Rome het uitgelezen geloofsinstituut is.

Even terug naar de kippenmaag met de zwarte vlekjes. De katholieke soep werd natuurlijk niet zo heet gegeten als ze werd opgediend. Mijnheer pastoor leerde de parochiaantjes later een puike methode om het zondige zieltje weer zuiver te wassen: het heilige sacrament van de biecht.

Volgende keer iets over wielrennen en positieve geloofs-trauma’s.

 

Share on FacebookTweet about this on TwitterShare on Google+Pin on PinterestShare on LinkedInEmail this to someonePrint this page

Gerelateerd bericht

MOCKBÁ 1980

Mr. Winnen, thank you very much for agreeing to do this interview after all. At first, you weren’t sure if you wanted to speak about the 1980 ...