fbpx
Select all categories
{{ channel.title }}

Menu

Álvaro Mejía

Wiep Idzenga Tekst Wiep Idzenga Gepubliceerd 15 July 2016

Het is een vroege ochtend in april en Álvaro Mejía Castrillón, kortweg Álvaro Mejía, ademt lang en hard uit door zijn neus. Het is geen zucht van vermoeidheid, want hij is nog maar net begonnen aan de Letras, de langste beklimming van Colombia, misschien wel de langste ter wereld. Hij is dan weliswaar niet in de beste conditie, maar in de tien jaar dat hij fietst heeft hij de 80 kilometer lange bergpas – van 450 naar bijna 3700 meter – meer dan eens beklommen. De klim ligt niet ver van zijn geboortestadje Santa Rosa de Cabal in het Cordillera Central gebergte, hemelsbreed zowel 150 kilometer van Bogotá in het oosten als van Medellin in het noorden. Op andere trainingsdagen is hij tegen de nabijgelegen La Linea opgereden, een minder lange, maar veel steilere bergpas. Nee, het zuchten en steunen van Mejía zo vroeg op de dag heeft niks te maken met zijn mindere vorm, maar met de oorzaak ervan: de uitzichtloze situatie waarin hij zich bevindt. Zesentwintig en in de bloei van zijn leven is de talentvolle Colombiaanse renner, maar terwijl het profpeloton in Europa bijna dagelijks koerst kan hij het maar af en toe opbrengen op de fiets te stappen en zijn kilometers te maken.

Eigenlijk is vandaag dus een goede dag, maar zo voelt het niet. De winnaar van het jongerenklassement van de Tour de France van twee jaar eerder heeft geen ploeg meer en zo diep in het seizoen gaat het er ook niet meer van komen. Vorig jaar was hij nog de kopman en best betaalde renner in de Postóbonploeg. Zijn riante salaris van 300.000 dollar wordt nog steeds doorbetaald, maar de frisdrankenfabrikant is gestopt met de sponsoring van de wielerploeg en de voormalig bakkersknecht koerst weer met zijn minder getalenteerde broer in amateurwedstrijden in Colombia.

Onderaan de voet van de Letras lacht Álvaro Mejía naar kinderen in hun uniformpjes op weg naar school en hij zwaait naar een man die net als zijn vader op een koffieplantage werkt. Het lijkt een vrolijk tafereel, maar een paar minuten later vervloekt Mejía alweer zijn fiets, de bergen en zijn leven. ‘Hijo de puta!’

Terwijl Mejía met lichte tegenzin het eerste gedeelte van de Letras beklimt hobbelt de auto van Jim Ochowicz Santa Rosa de Cabal binnen. De Amerikaanse ploegleider van Motorola is lichtelijk geagiteerd. Hij is al een paar dagen in Colombia en hij heeft inmiddels een akkoord bereikt met Mejía’s oude ploeg Postóbon, maar de renner zelf krijgt hij maar niet te pakken. Bovendien vliegt hij vanavond vanuit Bogotá weer naar huis. Nu hij door de stoffige straten van het Colombiaanse stadje rijdt begrijpt hij dat niet alleen in huize Mejía telefoon ontbreekt. Hij kijkt op de zeldzame straatnaambordjes, vraagt af en toe de weg aan een voorbijganger en klopt een uurtje later op de deur van een eenvoudige woning.
Normaalgesproken laat de general manager een klus als deze over aan teammanagers Hennie Kuiper en Tom Schuler of liever nog aan assistent Noël Dejonckheere, maar Jim Ochowicz wil deze Mejía wel erg graag in zijn ploeg hebben. In de Tour de France zal de Colombiaan kopman Andy Hampsten in de bergen kunnen bijstaan en in de kleinere rondes kan Maximilian Sciandri veel aan hem hebben. Ochowicz schudt zijn hoofd. Hoe is het in godsnaam mogelijk dat in deze tijd een megatalent als Mejía werkloos thuis zit en met geen mogelijkheid te bereiken is? Net als de Amerikaan nogmaals op de deur wil bonken schuift deze voorzichtig open. Vanonder een smoezelige sombrero kijken een paar donkere ogen hem aan.

Even later zit Ochowicz in het keukentje aan een straffe bak koffie. Hij is omringd door meerdere generaties Mejía die hem met een mengeling van argwaan en nieuwsgierigheid aanstaren. De Amerikaan heeft geen idee of iemand hem begreep maar om zijn enthousiasme over hun zoon, broer, oom, misschien wel vader duidelijk te maken praat hij honderduit. Over de eerste keer dat Álvaro hem was opgevallen. In de Dauphiné Libéré van 1990 waarin de jonge Colombiaan een vlakke tijdrit van 38 kilometer had gewonnen, ruim voor mannen als Johan Bruyneel, Sean Yates, Edwig Van Hooydonck en Stephen Roche. Alle Colombianen kunnen klimmen en de meeste van hen waren ook onverschrokken en handig in de afzink, maar een renner uit de Zuid-Amerikaanse republiek die ook nog kan tijdrijden was nog niet eerder vertoond. Fabio Parra is altijd de meest complete renner geweest uit het land waar doodseskaders en drugsbendes het nieuws bepalen, maar op alle terreinen is deze Mejía nog net iets beter. Hij moet in staat worden geacht om Parra’s derde plaats in de Tour van 1988 te verbeteren. In die Dauphiné Libéré werd hij uiteindelijk derde en zeventiende in zijn eerste Ronde van Spanje. Als hij daar niet met de hele ploeg tegen de vlakte was gegaan in de tijdrit en hij de hongerklop in de zwaarste bergetappe had voorkomen was hij in de top-5 geëindigd was de mening van de kenners. Een jaar later is hij de beste jongeling in de Tour en werd hij vierde op het WK achter medevluchters Gianni Bugno, Steven Rooks en Miguel Indurain. Een seizoen later won hij de Ronde van Murcia. Ochowicz wil Mejía absoluut in zijn ploeg, maar nu kan niemand hem duidelijk maken waar de renner uithing. For fuck’s sake. Het wordt al laat en het vliegtuig wacht.

Mejía is inmiddels zo hoog de Letras opgereden dat hij God een hand kan geven. Het weer op de top past goed bij Mejía’s gemoedstoestand: druilerig. De weg naar boven is een trip down memory lane geweest. Hij heeft gedacht aan de apotheker in een nabijgelegen stad voor wie hij op zijn fiets medicijnen naar zieke klanten moest brengen, vaak arme boeren in de koffiestreek. Hij moest er geregeld de Boqueron voor over, een berg van de tweede categorie. Toen hij daar op zijn oude fiets geregeld wielrenners inhaalde begreep hij dat zo gemakkelijk omhoog fietsen blijkbaar niet normaal was. Twee jaar nadat hij een echte racefiets bij elkaar had gespaard won hij de juniorenronde van Colombia en nog eens twee jaar later ook de volwassen editie, de bergprijs in de Ronde van de Amerika’s en de Clásico RCN. Mejía is de opvolger en verbeterde uitgave van zowel Luis Herrera als van Fabio Parra schreven de kranten. Ondanks zijn bescheidenheid geloofde Mejía het inmiddels zelf ook, maar moet je hem nu zien: doodop, kilo’s te zwaar en bijna tienduizend kilometer verwijderd van Europa waar al volop wordt gekoerst.

Hoe anders wordt zijn stemming als hij die avond in het donker arriveert bij het huis van zijn ouders. Er zijn verhalen over een Amerikaan die vandaag is langsgekomen, er lag een shirt van Motorola op tafel en zijn vader geeft hem een briefje met een telefoonnummer dat hij moet bellen.

Pas de volgende dag begrijpt Mejía van de Spaanssprekende Belg Dejonckheere, assistent bij Motorola, dat hij per direct weer profcoureur is. Zijn hart maakt een sprongetje. Het heeft wat voeten in de aarde om Mejía in Europa aan de start te krijgen, en zijn debuut voor Motorola in de Ronde van Romandië duurt niet lang. Hoe groot zijn conditionele achterstand is blijkt al in de eerste etappe: ver buiten de tijdslimiet komt hij over de finish. Hij verrast ploegleider Kuiper positief door niet op het eerste de beste vliegtuig naar huis te stappen, maar de resterende dagen achter de koers aan te rijden om in vorm te komen. Mejía drinkt dan wat om een uur later nog meer kilometers te maken. Aan tafel hoeft de ingetogen en mono-linguïstische Colombiaan altijd maar ‘un poquito’, om vervolgens uitgehongerd de hele schaal leeg te eten. Daarna gaat hij naar boven om op zijn gitaar te tokkelen.

Jaskula, Mejia, Riis, Indurain en Rominger. Beeld: Cor Vos
Jaskula, Mejia, Riis, Indurain en Rominger. Beeld: Cor Vos

Het is eigenlijk een godswonder dat een coureur die pas begin mei begon met koersen zes weken later als dertigste eindigt in de Giro, maar het zou voor Mejía allemaal nog absurder worden.

Al in de zevende etappe van de Tour de France is Mejía betrokken bij een coup en schuift hij naar de tweede plaats in het klassement. Ook in het hooggebergte is de afgeschreven Colombiaan met Zenon Jaskula, de Poolse glaseter op leeftijd, de enige renner die in het spoor van tweevoudig winnaar Indurain kan blijven. Juist in de discipline waarin Mejía zich van alle andere Colombianen onderscheidt, de tijdrit, gaat het die Tour twee keer mis. Vooral op de voorlaatste dag is dat pijnlijk, want door een matige race tegen de klok wordt Mejía door Jaskula en Tony Rominger nog net van het podium geduwd. De Colombiaanse allrounder wordt dus vierde, op zevenenhalve minuut van winnaar Indurain. Opgeteld verliest Mejía in de twee tijdritten bijna negen minuten op de Spanjaard. Later dat seizoen wint hij wel de Ronde van Catalonië en een jaar later Route du Sud, maar in de grote rondes kan hij zijn niveau van 1993 niet meer herhalen. In 1995 verlaat hij met een zware blessure de Giro. Tegen beter weten in probeert hij twee jaar later terug te keren. Mejía stort zich op een studie medicijnen en haalt in zeven jaar zijn titel.

Nu is hij arts in zijn geboortestadje Santa Rosa de Cabal en fietst af en toe nog voor zijn plezier de Letras op. Als hij op weg naar boven wordt ingehaald door ambitieuze jonge renners waarschuwt hij ze voor overbelasting. Vrijwel altijd volgt dan het verhaal hoe hij een kwart eeuw geleden met vier maanden trainingsachterstand vierde werd in de grootste rittenkoers ter wereld.

Mejia. Beeld: Cor Vos
Mejia. Beeld: Cor Vos