fbpx
Select all categories
{{ channel.title }}

Menu

Italië is het cyclismo

Renate Verhoofstad Tekst Renate Verhoofstad Gepubliceerd 21 september 2013

Voorop gesteld: Ik heb niets tegen Frankrijk. Laat staan tegen Fransen. En toch wordt de Tour de France in het verkeerde land gereden. Vind ik. Le Tour – de grootste, mooiste, oudste en meest megalomane etappekoers ter wereld – verdient beter. Een warme moederschoot zoals Italië bijvoorbeeld, waar het ciclismo wordt gezoogd, gedronken, beleden, geleefd, liefgehad. Het is als een klassiek liefdesepos, dat af en toe een dramatische wending kent. De passie voor de sport ligt er diep verankerd in het graniet van de Dolomieten, in het witte marmer van Carrara en het vuur brandt letterlijk tot op de zwartgeblakerde toppen van de Etna. En alhoewel de spaghetti’s gewoonlijk dol zijn op dualisme, wordt de liefde voor de fiets er van noord tot zuid gedeeld. Want Italië is het ciclismo.

De bakermat van de wielercultuur; vroeger, toen en nu. Het waren de Italianen die begin vorige eeuw letterlijk crepeerden van de honger. En die zich herkenden in wielrenners als Gerbi, Girardengo en Bottechia. Mannen die nóg meer moesten afzien en lijden op fiets; tamelijk lompe gedrochten V nog, met banden als vlezige salami’s. En toen een gebroken en verdeelde natie vlak na de Tweede Wereldoorlog probeerde af te rekenen met de schaamte en nog worstelde met de erfenis van het fascisme, was het aan de successen van Coppi en Bartali te danken dat Italianen weer trots durfden te zijn op hun land. En de Campionissimo en de Vrome lieten bovendien zien dat er hoop was, op een betere toekomst. En al is het ciclismo sinds die gloriedagen bijgehaald door het veel populairdere calcio in de kolommen van de Gazzetta dello Sport, de liefde zou nooit meer overgaan. En komt ieder voorjaar weer in alle hevigheid tot ontluiking. In de hoofden en de harten van de wielerfans.

iStock_000005186953Large_web

En in Frankrijk, ik noem maar een land, komt die liefde slechts van één kant. De gevoelens van affectie zijn veeleer artificieel. Het Franse hart klopt vooral voor le foot en le rugby, vertelde de eigenaar van de camping in de Midi-Pyrénées, waar ik deze zomer tijdens de Tour mijn tenten had opgeslagen. “De televisie gaat hier pas aan als Voeckler van voren zit”, zei de campingbaas. Einde oefening dus. Voor de Tour. Op de camping althans. Maar ook in de wijde omtrek van Caylus bleek in het hele departement Tarn et Garonne geen televisietoestel of verdwaalde transistorradio in een krocht of kroeg te bekennen. Daar moet je in Italië tijdens de Giro d’Italia mee aan komen zetten. Het zou tot een volksoproer hebben geleid waar ze in de banlieues van Parijs nog een puntje aan kunnen zuigen. De campingdirecteur zou door een woedende menigte aan de hoogste boom zijn opgeknoopt, of gekielhaald onder een van de opblaasdolfijnen in het zwembad, net zo lang tot het geluid van de Tour weer zou klinken in de bar of het restaurant. En anders: Vattene! Opzouten dus.

Nee, dan Italië. Waar je weet dat de zomer zich pas écht aandient als vanuit de bagno’s op het strand bij Marina di Pietrasanta de vrolijk opbeurende leader van Il Grande Giro weer klinkt. Waar hele volksstammen na pranzo de schaduw opzoeken en rond de televisie kruipen, om heel hard “vai, vai, vaiiiiii!!!” naar de beeldbuis te brullen. “Kom op, kom op, komááááán!” En tegen die feestelijke achtergrond vierde ik jarenlang zomer op z’n Italiaans. Op een groen strandbedje van bagno Tina, in het dorp waar Michelangelo rond 1500 zijn beroemde David uit wit marmer beitelde. Wat wilde je nog meer? Dit was la dolce vita op z’n best. En dan pakte je de Gazzetta dello Sport er maar weer eens bij. Snel doorbladeren naar pagina 21, voor het laatste nieuws uit de wereld van fiets en wiel. En dan kon je onder de parasol zomaar een prachtig kleurrijk verhaal lezen over oud- coureur Vito Taccone, ook wel Il Camoscio d’Abruzzo (Het Hert van de Abruzzen) genoemd, die wéér in de bak was beland. Dit keer niet vanwege het uitschrijven van ongedekte cheques of een knokpartij, maar omdat hij wat aan had gerommeld in de handel met vervalste merkkleding. Wielrenners raken ook in Italië weleens van het rechte pad.

Publiek boete doen, mea culpa in de Gazzetta, wat weesgegroetjes voor de Madonna. Klaar. Wie zonder zonde is, werpe de eerste steen. Dat idee.

Want ach en wee, Italianen. Toch een soort zelf beëdigde hoofdrolspelers in een door henzelf gecomponeerde opera. Acteurs met gevoel voor drama. En dan gaat het in de vijfde akte weleens mis. Zoals bij Riccardo Ricco, u weet wel, die MacGyver die thuis aan de keukentafel bloedtransfusies uitvoerde. Bij zichzelf, ja! Totdat het mis ging. Of Marco Pantani, een soort Icarus op wielen, die almaar hoger vloog en op een dag ter aarde stortte. Of wat te denken van Ottavio Bottechia, een wielerheld uit een ver en romantisch verleden, maar nog lang niet vergeten. Al was het maar omdat hij in 1924 Italiës eerste winnaar van de Tour was. En de molenaarszoon Bottechia dus, werd slechts een paar jaar later tijdens een trainingsritje door een zekere boer Peonis in een greppel aangetroffen. Meer dood dan levend. Met een hersenpan aan gruzelementen. Zijn fiets vertoonde geen schram maar de wielrenner bleek in het ziekenhuis niet meer te redden. En sinds die tijd is zijn mysterieuze dood dus omgeven met raadsels. Een klassieke ‘whodunnit?’ Of beter, zoals dat in de laars dan heet: een giallo. Niemand die het weet. En daar smullen ze in Italië juist van. Wielrennen bestaat bij de gratie van verhalen. “Hij kreeg een toeval”, meent de een. “Zijn rem deed het niet”, beweert de ander. En dan zijn er nog de verhalen over een buitenechtelijke relatie. Of had Bottechia druiven gestolen van het land van boer Peonis? In de Gazzetta las ik ooit dat Bottechia banden met de maffia had. Dat hij kon zijn gelyncht door politieke tegenstanders van de fascistische partij. Geen mens die het weet. Maar met het verstrijken van de tijd worden de verhalen almaar krankzinniger, en de polemiek steeds feller. Ook bij ons, onder de parasol van bagno Tina op het strand. En dan bestelden we een espressootje tussendoor. Vooral niet vergeten te smeren met zonnebrandcrème. En natuurlijk volgden we ook de koers. Het ultieme zomergevoel. Wat mij betreft. Zon, zee, wielrennen.

“Waar de Tour de France voor opoffering en hard werken staat, is wielrennen in Italië een volksfeest, dat je met z’n allen en met heel je hart beleeft”, zei Mario Cipollini ooit. Een waarheid als een koe, in het land waar 365 dagen per jaar wordt gekoerst. Waar ieder dorp zijn eigen granfondo heeft. En zijn eigen held. Geadoreerde supersterren. Die op een voetstuk worden gezet, en er soms ook weer vanaf kukelen. Maar ondertussen is het wielerhart groot en het volk barmhartig. Zelfs afgegleden en/of positieve wielrenners hoeven slechts tijdelijk op de hoon van de natie te rekenen. Publiek boete doen, mea culpa in de Gazzetta, wat weesgegroetjes voor de Madonna. Klaar. Wie zonder zonde is, werpe de eerste steen. Dat idee. Vergeten en vergeven. De ultieme rooms-katholieke gedachte.

03792-zoom_web

En voor alle andere tragische of te vroeg overleden helden geldt dat ze nimmer worden vergeten. De tombe van Pantani, een overigens afzichtelijk gedrocht op de begraafplaats van Cesenatico, is een bedevaartsoord voor wielerfans en toeristen. De bloemen worden nog dagelijks ververst. Naar Fausto Coppi, de grootste Italiaanse wielrenner allertijden, de beroemde Campionissimo die in 1960 aan de gevolgen van een verwaarloosde malaria overleed, zijn straten, pleinen en toppen van bergen vernoemd. Iedere provincie heeft zijn eigen Fausto in brons en ruim vijftig jaar na Coppi’s overlijden, wonen nog ieder jaar op 2 januari honderden trouwe fans een herdenkingsdienst bij in Castellania. Opdat zij en wij van de rest van de wereld niet vergeten wie de allergrootste ooit was: C-O-P-P-I dus. En zelfs zij die hem nooit zagen fi etsen, zo soepeltjes de 48 haarspeldbochten van de Stelvio omhoog, spellen zijn naam. Om over de adoratie voor diens aartsrivaal Gino Bartali niet eens te beginnen; de vrome Toscanaccio uit Florence, met een stem als over schuurpapier gehaald. Dat Bartali kon fi etsen (klimmen vooral), drinken (Chianti) en roken (sigaren) als de beste, wisten de Italianen al wel. Maar dat ‘Gino de Vrome’ tijdens de oorlog met valse persoonsbewijzen rondreed in het frame van zijn fi ets, om Joodse onderduikers te helpen het land te ontvluchten, dát kwam pas na zijn overlijden aan het licht. Halleluja! Bartali santo subito, zo klonk het verzoek tot heiligverklaring aan de paus. Maar Bartali was bij leven al een halve heilige, die in zijn woonplaats Florence minstens even groot wordt geacht als Da Vinci, Michelangelo, Galileo Galilei en alle andere Renaissance-helden bij elkaar.

En richting die prachtige stad aan de Arno zal het peloton in september koers zetten vanuit vestingstadje Lucca. Eerst nog snel een rondje over de beroemde stadswallen en dan met gezwinde spoed, dwars door het Toscaanse land, richting Florence. En feitelijk komt het WK wielrennen daarmee thuis. Althans, zo wordt het in Italië gevoeld. Fietsen over gewijde grond. Het wordt vast een trip down memory lane. Laat dat maar aan Italianen over; meesters in het conserveren van hun eigen verleden. Mensen zullen zwaaien met vlaggetjes. Het ‘vai, vai, vaiiiiii’ zal overal klinken langs de kant van de weg. En straks, als het eind september is, zullen de namen van Mario Cipollini en Andrea Tafi weer met eerbied uitgesproken worden. Niemand zal het nog hebben over de Franse lijst met namen van renners die tijdens de Tour de Dopage van 1998 EPO zouden hebben gebruikt. Drie weesgegroetjes voor de Madonna en klaar, weet u nog wel? Applaus! Ook voor Re Leone en Il Gladiatore.

EN VOOR ALLE ANDERE TRAGISCHE OF TE VROEG OVERLEDEN HELDEN GELDT DAT ZE NIMMER WORDEN VERGETEN.

En ongeveer halverwege de koers zal het Italiaanse deel van de peloton een subtiel eerbetoon brengen aan een andere held die zijn wieg in Toscane had staan: Franco Ballerini. De oud-renner en bondscoach die in 2010 zo tragisch om het leven kwam, toen zijn auto tijdens een rally uit de bocht vloog en de veiligheidsgordel dienst weigerde, waardoor ‘Ballero’ ergens in de Toscaanse heuvels tegen een muur te pletter sloeg. Ballerini wordt in Italië nog altijd node gemist. Door de fans, door de wielrenners voor wie hij als een pater familias was en door Alfredo Martini (92), weliswaar een wielrenner uit het tijdperk Coppi/Bartali maar ook voorganger van Ballerini als bondscoach van de nationale ploeg. De twee waren als vader en zoon, dikke vrienden. Alfredo Martini zal in zijn woonplaats Florence wel ergens aan de fi nish op een podium of open auto worden gezet. Rondgereden en toegejuicht, als symbool van het roemrijke Italiaanse wielerverleden. Martini zal een paar vragen worden gesteld door Alessandra De Stefano van de Rai en het publiek zal ‘grande Martini’ scanderen. En ‘grande Bartali’, natuurlijk. En ‘grande Ballerini’. En ‘grande Cipo’. ‘Grande Bettini’. ‘Grande Vicenzo’. ‘Grande Pippo’. En ga zo maar verder. Het volk zal juichen, grommen, genieten van la Corsa. Van de Koers dus, met hoofdletter K.

Want de liefde voor het wielrennen gaat in Italië nooit verloren. De koers in Italië overleeft álles. Altijd en overal. Oorlogen, pausen, prinsen, stormen, grote en kleine tragedies, bombe, pepmannen, EPO en nog veel meer pillen en preparaten. Of, om columnist Candido Cannavò aan te halen, die dat gevoel een paar jaar geleden zo mooi onder woorden bracht in de Gazzetta dello Sport, nadat het zoveelste dopingschandaal de wielerwereld had doen schudden op zijn grondvesten: “De koers is niet dood, de koers lééft!” Waarom? “Perche la gente ti ha voluto bene sin dal primo giorno.” Oftewel: omdat de mensen vanaf de eerste dag van de koers hebben gehouden, en dat gevoel van a ectie is gelukkig niet aan verval onderhevig. “Oh, mijn geliefde wielersport wat hebben ze je een leed aangedaan en wat heb je jezelf een leed aangedaan?”, jammerde Cannavò op het roze papier. “Maar ondertussen staan de fans nog altijd rijen dik langs de kant van de weg. Hele menigten. Ik heb het verlangen gezien in de ogen van de mensen, van de kinderen met ballonnen in hun hand. Dát is wat men onder liefde voor de wielersport verstaat. Het is een onverwoestbaar geloof, een enthousiasme, een vrolijke vorm van devotie die elke vorm van ellende zal doen wegwuiven.”

“Vaiiiiii corridori!”

Gerelateerd bericht

DS

If you had told me I would become a Directeur Sportif while I was still racing I would have laughed you out of whichever grupetto I happened to ...